Het Beste van De Taalprof

Je Hulp bij Grammaticale Nood

Entries Tagged as 'Naamwoordelijk'

Een hele verandering

17/07/2006 by taalprof · No Comments · Gezegde, Lijdende vorm, Naamwoordelijk


De voorpagina van de NRC, zaterdag 15 juli, onderaan de pagina. Een grote kop: Drie Italiaanse topclubs door rechter gedegradeerd. Ik weet zeker dat er meer Nederlanders, net als ik, even op het verkeerde been stonden. Maar hoe zit dat? Je moet wel een beetje van ontleden weten wil je daarover mee kunnen praten.

Lees meer/
minder

Als de bewuste kop had geluid Drie Italiaanse topclubs gedegradeerd, dan was er niets aan de hand geweest. In krantenkoppen wordt wel vaker het werkwoord zijn weggelaten. Blijkbaar was er dan bedoeld: Drie Italiaanse topclubs zijn gedegradeerd. Dat zijn gedegradeerd was dan eenvoudigweg een voltooide tijd geweest van Drie Italiaanse topclubs degraderen. Ze degraderen, en als gevolg daarvan zijn ze gedegradeerd.

Nu staat erbij door de rechter. Dat lijkt op het eerste gezicht vreemd. Hoezo, "door de rechter"? Is die rechter soms de oorzaak ervan dat die clubs degraderen? Maar dat is toch raar, om dat zo te zeggen?

De oplossing is natuurlijk dat de zin door die toevoeging een lijdende vorm wordt, namelijk de lijdende vorm van de zin De rechter degradeerde drie Italiaanse topclubs. Zet je die zin in de lijdende vorm, en daar weer de voltooide tijd van, dan krijg je Drie Italiaanse topclubs zijn door de rechter gedegradeerd (geworden). Dan laat je zijn weg, en je krijgt de krantenkop.

Maar kan dat zomaar? Is degraderen ook een werkwoord waar een lijdend voorwerp bij kan staan? Jazeker! Het wordt tegenwoordig wel meestal gebruikt zonder lijdend voorwerp (De club degradeert), en vandaar ook de verwarring, maar met lijdend voorwerp (Iemand degradeert de club) kan ook.

Degraderen valt in een grote klasse van zogeheten veranderingswerkwoorden. Dat zijn werkwoorden die de verandering van een toestand aangeven. Het bekendste voorbeeld is het werkwoord… veranderen!

Wat is het bijzondere van deze werkwoorden? Ze komen allemaal in twee versies voor: iemand verandert iets, en iets verandert. In de eerste variant krijgen ze een voltooide tijd met hebben (iemand heeft iets veranderd), in de laatste is het hulpwerkwoord zijn (iets is veranderd). De laatste variant heeft geen lijdende vorm, de eerste wel (iets wordt door iemand veranderd). De verwarring ontstaat als je van die lijdende vorm een voltooide tijd maakt. Dan valt die vorm samen met de gewone voltooide tijd van de tweede variant.

Dat in de kop van het NRC-artikel de lijdende vorm bedoeld is, blijkt niet alleen door die toevoeging door de rechter. De eerste zin van het artikel luidt: De voetbalclubs Juventus, Lazio en Fiorentina zijn door een tribunaal van de Italiaanse voetbalbond teruggezet naar de serie B. Hier is het woord degraderen in de eerste variant (dus met lijdend voorwerp) vervangen door terugzetten, dat geen veranderingswerkwoord is en de tweede variant mist (je kunt niet zeggen: Juventus zette terug naar de serie B).

Dat degraderen gewoonlijk in de tweede variant wordt gebruikt, blijkt dan weer in het vervolgartikel (op pagina 12). Daar staat de zin: Juventus levert 2 titels in en degradeert met Fiorentina en Lazio naar de serie B. Dit is duidelijk de tweede variant van het veranderingswerkwoord. Niks lijdende vorm, niks door de rechter.

Het degraderen van voetbalclubs is tegenwoordig meestal een automatisme: als de club onderaan eindigt, degradeert hij naar de lagere klasse. Daar komt geen persoon of instantie bij te pas die de club daadwerkelijk "terugzet". Ik denk dus dat het met de eerste variant van het veranderingswerkwoord degraderen binnenkort afgelopen is. Tenzij de schandalen toenemen en de rechter op uitgebreide schaal clubs moet gaan zitten degraderen.
Lees minder

[Read more →]

Een vreselijk geheim

14/05/2006 by taalprof · 6 Comments · Gezegde, Naamwoordelijk

Naamwoordelijk gezegde? Hartstikke makkelijk! Wat je doet is werkwoordelijk, wat je bent is naamwoordelijk. Dat staat al in zoveel logs op deze site, daar kun je niet meer overheen kijken. Ook al kun je het soms niet zo makkelijk ontdekken omdat er wel eens hulpwerkwoorden zijn die lijken op koppelwerkwoorden, als je maar vasthoudt aan de eenvoudige regel dat doen werkwoordelijk is en zijn naamwoordelijk, kom je er altijd uit.

Toch bestaat er één werkwoord dat zich vermomt als een doen-werkwoord, maar dat eigenlijk een koppelwerkwoord is. Dat is eeuwenlang onopgemerkt gebleven voor taalkundigen, en in alle schoolboeken staan de gezegdes met dat werkwoord gewoon als werkwoordelijk benoemd. Als je zo’n gezegde op een proefwerk naamwoordelijk noemt, wordt dat door iedere docent fout gerekend. Dat kun je dus maar beter niet doen.

Dit geheim is een bom onder alle lessen grammatica op de scholen. Als het bekend zou worden was de schade niet te overzien. Als je bang bent voor je leraar of lerares, en je wilt graag goede cijfers halen bij een toets, lees dan vooral niet verder!

Lees meer/minder

Het gaat om het werkwoord hebben. Zinnen met als enige werkwoord hebben noem je altijd werkwoordelijk. Een zin als Ik heb een hond heeft een werkwoordelijk gezegde. Een hond hebben, dat doe je. Tot zover niets aan de hand. De problemen beginnen als je er iets dieper over na gaat denken.

Als je een hond hebt, dan is die hond van jou, nietwaar? Maar de zin Die hond is van mij, dat is een zin met naamwoordelijk gezegde. Die hond is onderwerp, van mij is naamwoordelijk deel, en is is koppelwerkwoord. Er is dus een geheimzinnig, verborgen verband tussen werkwoordelijke zinnen met hebben en naamwoordelijke zinnen met zijn.

Het wordt nog gekker als we naar andere talen gaan kijken. Wij zeggen Ik heb het koud, Engelsen zeggen I am cold, en Duitsers Mir ist kalt. Wat is dat voor een eigenaardig toeval, dat zo’n gewone zin (mensen hebben het altijd koud gehad) in drie buurtalen zo verschillend uitgedrukt worden?

Nog zoiets geks: de meeste koppelwerkwoorden in het Nederlands kun je aanvullen met het "echte" koppelwerkwoord (te) zijn: je lijkt wel gek (te zijn), het blijkt mistig (te zijn). Eigenlijk zijn dat geen echte koppelwerkwoorden, daar is alleen het koppelwerkwoord zijn weggelaten. Er zijn maar twee andere, "echte" koppelwerkwoorden: worden en blijven. Worden is het begin van zijn, en blijven is een soort "langdurig zijn".

Het gekke is nu dat je die twee varianten bij hebben ook hebt: het begin van hebben is krijgen, en "langdurig hebben" is houden. Als je zegt Ik krijg een hond, dan geef je aan dat het hebben van een hond voor jou gaat beginnen.

Maar dat is wonderlijk! Hebben heeft dus dezelfde varianten als zijn, en sommige van onze zinnen met hebben krijgen in andere talen zijn. Krijg nou wat! Maar dat is nog niet alles.
Die gekke koppelwerkwoorden lijken, blijken, schijnen, waarbij je eigenlijk (te) zijn hebt weggelaten, heb je dat bij hebben dan ook? Daar lijkt het wel op, maar niet met dezelfde werkwoorden.

Wat betekent het als je zegt Ik wil een hond?. Dat ontleden wij braaf als een werkwoordelijk gezegde met wil als zelfstandig werkwoord. Maar eigenlijk zit het anders in elkaar. Want eigenlijk is in die zin gewoon hebben weggelaten: Ik wil een hond hebben. Willen is daar eigenlijk een hulpwerkwoord.
Zo lijkt hebben dus eigenlijk wel heel erg op zijn. Het lijkt wel een soort "omgekeerd koppelwerkwoord". Als je zegt Ik heb twee scooters, dan is dat hetzelfde als Twee scooters zijn van mij. Omgekeerd. In de eerste zin ben jij het onderwerp en de scooters het lijdend voorwerp, in de tweede zijn de scooters het onderwerp en jij het naamwoordelijk deel.

Let op dat je bij een proefwerk nooit laat merken dat je dit allemaal weet. Vertel het ook niet verder, want het is het vreselijkste geheim dat er in de grammatica is (of …dat de grammatica heeft).

Lees minder

[Read more →]

Wanneer was je voor het laatst verbaasd?

24/04/2006 by taalprof · 5 Comments · Gezegde, Naamwoordelijk, Werkwoordelijk

De Taalprof krijgt ook wel eens e-mail, naast de vragen op de weblog. Zo kreeg hij dit weekend maar liefst twee mails over dezelfde kwestie, op dezelfde school nota bene!

Wat was er aan de hand? Een leerling had bij de ontleding van de zin ik was erg verbaasd gezegd dat het naamwoordelijk gezegde was, en dat was fout gerekend. Gemor in de wandelgangen, discussie in de klaslokalen! Hoezo was dat fout? Was verbaasd dan geen bijvoeglijk naamwoord? Nee, zei de docent, verbaasd is een werkwoord, en dus is het een werkwoordelijk gezegde met was als hulpwerkwoord.

Andere docenten gingen zich ermee bemoeien, andere talen werden erbij gehaald. Zelfs de wiskundedocent deed een duit in het zakje. Onrust in de lerarenkamer!
Ten einde raad wendden de docent én de vader van de leerling zich tot de Taalprof. Wie heeft er gelijk? De Taalprof hakte de knoop door.

Lees meer/
minder

In de discussie op de bewuste school werd op verschillende manieren geargumenteerd (verbaasd is een werkwoord, in andere talen staat in deze zin een bijvoeglijk naamwoord), maar al die redeneringen leiden af van waar het echt om gaat, en wat ik al in de log Wat is een naamwoordelijk gezegde? heb genoemd: is er sprake van zijn of doen? Als je erg verbaasd bent, ben je dan iets, of heeft iemand (of iets) jou iets gedaan? Alle andere redeneringen of ezelsbruggetjes, of proefjes, zijn allemaal ondergeschikt aan die vraag. Is het zijn of doen? Zo simpel is het.

Op dit punt aangekomen denk ik dat iedereen zou zeggen: als je verbaasd bent, dan ben je iets, dus naamwoordelijk. Dit is dan ook de beste ontleding. De leerling heeft gelijk. Maar lees nog even door, want het is de moeite waard om te begrijpen wat hier aan de hand is.

De zin ik ben verbaasd is namelijk oorspronkelijk een lijdende vorm van iets (of iemand) heeft mij verbaasd, wat weer de voltooide tijd is van iets (of iemand) verbaast mij. Als je van jij verbaast mij erg een lijdende vorm maakt, krijg je ik word door jou erg verbaasd. Zet je dat in de voltooide tijd, dan krijg je ik ben door jou erg verbaasd (het werkwoord geworden wordt in het Nederlands dan weggelaten). Maak je daar weer voltooid verleden tijd van, dan wordt het ik was door jou erg verbaasd. Laat je daarin dan door jou weg, dan krijg je ik was erg verbaasd.

Hee, wat is dat nou? Nou hebben we een werkwoordelijk gezegde, in de lijdende vorm, met was als hulpwerkwoord van tijd! Had de docent dan toch gelijk?

Het voorbeeld laat zien dat de docent inderdaad geen onzin beweerde. Toch is deze laatste ontleding van de uiteindelijke zin wel onwaarschijnlijk. Hoe weet ik dat zo zeker? Dat zie je als je het tijdsverschil tussen de twee ontledingen bekijkt.

In de naamwoordelijke ontleding van ik was erg verbaasd is was een koppelwerkwoord. De zin staat in de gewone (de onvoltooid) verleden tijd. In de werkwoordelijke ontleding is er sprake van een lijdende vorm, daar de voltooide tijd van, en daar weer de verleden tijd van. Dat is dus de voltooid verleden tijd. Kun je dat zien, dat verschil?

Hoe ontdek je of een zin in de verleden tijd of in de voltooid verleden tijd staat?
Dat gaat ongeveer op dezelfde manier als ik beschreef in de log Tijden en werkwoorden. Zet er een tijdsbepaling als zaterdag bij. Een gewone verleden tijd (Ik speelde zaterdag een goede wedstrijd) kan dan alleen betekenen dat er iets gebeurde op een zaterdag in het verleden (zeer waarschijnlijk afgelopen zaterdag).

En hoe zit het met een voltooid verleden tijd? Kijk naar de zin Ik had zaterdag een goede wedstrijd gespeeld. Nu zijn er volgens mij twee betekenissen: de ene is dat je die goede wedstrijd afgelopen zaterdag al achter de rug had (hij is bijvoorbeeld op vrijdag al gespeeld), en de andere betekenis is, dat je afgelopen zaterdag helemaal geen goede wedstrijd gespeeld hebt, maar dat dat had kunnen gebeuren als er niet iets tussen gekomen was. Bijvoorbeeld, de wedstrijd werd vanwege de regen afgelast en je zegt: ik had zaterdag een goede wedstrijd gespeeld, als hij niet afgelast was (want ik was goed in vorm).

Welke betekenis heeft nu Ik was zaterdag erg verbaasd?. Kan dat betekenen dat je niet verbaasd was, maar dat dat had kunnen gebeuren als er niets tussen gekomen was? Lijkt me moeilijk. Kan het dan betekenen dat je verbazing zaterdag al achter de rug was? Misschien, als je je heel erg probeert voor te stellen dat iemand jou vrijdag al verbaasde en je wilt benadrukken dat dat zaterdag allang gebeurd was: Nee man, ik was záterdag allang erg verbaasd, dat gebeurde namelijk vrijdag al!.

Nee, de meest waarschijnlijke betekenis van ik was zaterdag erg verbaasd is dat jij op zaterdag verbaasd was, de gewone verleden tijd dus. Maar dan is er dus ook geen sprake van voltooide tijd, en dus is was geen hulpwerkwoord maar een koppelwerkwoord. En verbaasd is dan naamwoordelijk deel van het gezegde.

Wat voor woordsoort is verbaasd dan? Wel, dat ligt er maar aan. Veel taalkundigen vinden het het beste om voltooide deelwoorden die naamwoordelijk deel zijn te benoemen als een bijvoeglijk naamwoord. Dat is niet zo gek. Je ziet dat dit soort deelwoorden zich ook een beetje gaan gedragen als bijvoeglijke naamwoorden. Je kunt er een vergrotende trap van maken (verbaasder), of afleidingen als verbaasdheid (naast verbazing). Zo’n woord met -heid maak je gewoonlijk alleen met een bijvoeglijk naamwoord. Ook kun je zo’n voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruiken (een verbaasde wiskundeleraar). Alle reden dus om verbaasd in dit geval bijvoeglijk naamwoord te noemen.

Ik hoop dat met deze uitleg de stofwolken in de school zullen neerdalen en iedereen weer vol vertrouwen in het mooie vak grammatica de lessen kan voortzetten.

Lees minder

[Read more →]

Ben ik beschadigd?

30/03/2006 by taalprof · 5 Comments · Gezegde, Naamwoordelijk, Werkwoordelijk

Wat is dat nu? De taalprof betrapt op een taalfout? Ik schreef Als het beschadigt is het weg. Klopt dat wel? Moet het niet zijn: Als het beschadigd is, is het weg?

Lees meer/
minder

In deze reactie signaleert tom een "taalkoe" in mijn verhaal (wat een taalkoe is moet u op zijn site maar nalezen).

Ik schreef: Als het beschadigt (bijvoorbeeld bij een hersenbloeding) is het weg. In Toms taalgevoel was dit vreemd, omdat hij beschadigen alleen maar kon gebruiken in de constructie iemand beschadigt iets. Niet als Iets beschadigt. Hij zou dus hebben geschreven: Als het beschadigd is, is het weg.

In zo’n geval is het natuurlijk makkelijk om te wijzen op de naslagwerken, zoals Van Dales Groot Woordenboek, waar beschadigen als een "onovergankelijk werkwoord gewoon in voorkomt, weliswaar met de geheimzinnige toevoeging Vooral spreektaal, maar zoiets slaat elke discussie dood.

Ook kun je eenvoudigweg zeggen dat je dat zelf wel zo aanvoelt (wat ik als eerste reactie inderdaad deed), maar dan mis je ook weer de kans om iets aardigs te zeggen. Want wat is er aan de hand met dat beschadigen? Waarom komen beide varianten voor?

Het klassieke voorbeeld van dit type werkwoorden is veranderen. Iets kan veranderen, of iemand kan iets veranderen. Dat vindt iedereen acceptabel, in schrijftaal of spreektaal, formeel of informeel, dat maakt allemaal niet uit. Het kan allebei. Hoe komt dit?

Er zijn twee eigenschappen van het Nederlands die samenzweren om deze twee vormen te laten ontstaan. De eerste is dat het hulpwerkwoord van de lijdende vorm in de voltooide tijd achterwege blijft. Dat zit zo: als je zegt iemand verandert iets en je maakt daar een lijdende vorm van, dan gaat dat met het hulpwerkwoord worden: iets wordt veranderd. Het oorspronkelijke onderwerp (de veroorzaker van de verandering) blijft achterwege.

Nu kun je hier een voltooide tijd van maken, met het hulpwerkwoord zijn. Want worden kiest zijn als hulpwerkwoord van tijd (iets is geworden). Wat blijkt? Nu blijft ook het hulpwerkwoord worden achterwege: iets is veranderd. Niet iets is veranderd geworden, wat je zou verwachten maar wat nooit iemand zegt. De voltooide tijd van de lijdende vorm is dus iets is veranderd.

De tweede eigenschap die van belang is, is dat de voltooide tijd in het Nederlands met twee hulpwerkwoorden kan worden uitgedrukt. De meeste werkwoorden kiezen hebben: je hebt gegeten, gespeeld, gedanst, gewerkt, gelopen, geslapen, enzovoorts. Een paar werkwoorden kiezen zijn: je bent gearriveerd, voorbijgelopen, geslaagd, gegaan, gekomen, geschrokken.

Welke werkwoorden zijn dat, die zijn kiezen als hulpwerkwoord van de voltooide tijd? Daar bestaat enige discussie over, en ik zeg het een beetje slordig, maar het lijkt erop dat die werkwoorden allemaal een verandering van je plaats of toestand uitdrukken. Het zijn allemaal veranderingswerkwoorden.

Deze twee eigenschappen leiden ertoe dat je een vorm als ik ben veranderd op twee manieren kunt opvatten: als de voltooide tijd van de lijdende vorm, maar ook als de gewone voltooide tijd van een veranderingswerkwoord veranderen.

Nou ligt het werkwoord veranderen zelf wel heel erg voor de hand, maar hetzelfde geldt voor uitbreiden en ook voor beschadigen. Zeg je iets is uitgebreid en iets is beschadigd, dan heb je vanwege de betekenis van die twee werkwoorden (die ook een duidelijke verandering inhouden) de neiging om te concluderen dat er onovergankelijke werkwoorden uitbreiden en beschadigen aan ten grondslag liggen.
Maar is dat dan niet fout? Hm. Dat ligt er maar aan. Je past hetzelfde systeem toe dat geleid heeft tot de twee varianten van veranderen. En die vindt iedereen OK.

Lees minder

[Read more →]

Wat je bent zeg je zelf

16/03/2006 by taalprof · 9 Comments · Gezegde, Naamwoordelijk

Vaststellen of een zin naamwoordelijk of werkwoordelijk is, dat is zo moeilijk niet (zie anders hier en hier). Een werkwoordelijk gezegde drukt altijd uit dat er iets gebeurt (dat iemand iets doet) en met een naamwoordelijk gezegde zeg je dat iets of iemand iets is. Of wordt, of blijft, of lijkt, maar dat zijn allemaal maar kleine betekenisvarianten van is.

Maar als je dan bijvoorbeeld hebt vastgesteld dat iemand iets is, wat is hij of zij dan? Dat wordt uitgedrukt in het naamwoordelijk deel van het gezegde.

Lees meer/
minder

Wat kun je allemaal zijn? Nou van alles. Iets, bijvoorbeeld (ik ben iets), of iemand (ik ben iemand). Maar meestal gebruik je daar wat minder vage woorden voor. Bijvoeglijke naamwoorden bijvoorbeeld: ik ben blij, ik ben dronken. Al dan niet voorzien van allerlei toevoegingen: ik ben heel erg boos op jou. Die hele woordgroep is eigenlijk alleen maar het woordje boos met een aantal preciseringen.

Niet alle bijvoeglijke naamwoorden kun je gebruiken als naamwoordelijk deel. Een woord als houten, ijzeren of plastic kunnen niet: *deze kast is houten, dat kan niet in het Nederlands. Bedenk dat niemand dit verzonnen heeft. Er is ook geen directe reden voor, maar blijkbaar hebben we daar met zijn allen iets tegen. In andere talen kan het heel goed (bijvoorbeeld in het Engels: the cabinet is wooden, niks mis mee).

Ook zelfstandige naamwoorden kunnen prima als naamwoordelijk deel optreden: zij is dokter. En ook hier weer talloze mogelijkheden tot uitbreiding: zij is een dokter, zij is de dokter, zij is die aardige dokter van mijn opa. In de laatste twee gevallen gaat het trouwens niet meer over wat zij is, maar over wie zij is. Dat maakt het een beetje onduidelijk over wat nu precies bedoeld wordt: is deze vrouw de dokter, of is de dokter deze vrouw? Is de zin een antwoord op de vraag Wie is zij? of Wie is de dokter?. Vandaar dat je in deze gevallen vaak het onderwerp en het naamwoordelijk deel kunt verwisselen.

Als het naamwoordelijk deel uitdrukt wat zij is (zij is dokter), dan heeft het zelfstandig naamwoord eerder iets bijvoeglijks. Het hoeft niet zonodig in het meervoud te staan bij een meervoudig onderwerp bijvoorbeeld. Je kunt net zo goed zeggen Wij zijn dokter als Wij zijn dokters. Over het betekenisverschil kun je hele boeken schrijven, maar de ontleding is hetzelfde.

Behalve bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden (en hun toevoegingen), kan een naamwoordelijk deel ook een uitdrukking met een voorzetsel zijn: in de war, op de hoogte, van belang, in staat, ook weer eventueel voorzien van toevoegingen. Ook dat kun je allemaal zijn.

Sommige uitdrukkingen met een werkwoord zijn ook naamwoordelijk deel: als ik ben aan het werk naamwoordelijk is, dan is ik ben aan het werken dat natuurlijk ook. De aan-het-constructie is typisch Nederlands, en het heeft allemaal wel iets werkwoordelijks, maar toch, aan het werken, dat ben je. Niet dat doe je. Naamwoordelijk dus.

Ook de constructie met te+werkwoord wordt vaak als naamwoordelijk deel gebruikt. Ik ben te overtuigen. Helemaal naamwoordelijk, kijk maar: te overtuigen, dat ben ik, niet dat doe ik, of dat doet iemand anders. De betekenis van die constructie is trouwens wel aardig. Want wat betekent dat, ik ben te overtuigen? Dat betekent dat het mogelijk is (dat is de toevoeging van een modaal betekenisaspect) dat iemand mij overtuigt (hier wordt het perspectief verschoven als in een lijdende vorm).

Is het dat? Nou, er zijn nog wat losse mogelijkheden. Er zijn een paar bijwoorden die als naamwoordelijk deel kunnen worden gebruikt: ik ben weg, ik ben terug, ik ben uit, mijn huiswerk is af, het eten is op. Sommige van deze bijwoorden zijn afgeleid van voorzetsels, maar niet allemaal.
Wat is hier dan eigenlijk moeilijk aan? Nou, dit niet in ieder geval. Wel is het soms lastig om te bepalen wat nou toevoegingen bij het naamwoordelijk deel zijn, en wat afzonderlijke zinsdelen zijn. Daarover een andere keer.

Lees minder

[Read more →]

In de war in de tuin

08/03/2006 by taalprof · No Comments · Gezegde, Naamwoordelijk

"Hè, vertel nog eens iets leuks over het naamwoordelijk gezegde?"
"Wat wil je dan horen?"
"Nou bijvoorbeeld waarom mensen het zo moeilijk vinden?"
"O is dat zo?"
"Ja man, het is een van de grootste struikelblokken bij het ontleden van zinnen"
"Maar het is toch echt hartstikke makkelijk! Dat heb ik echt heel duidelijk uitgelegd in de weblog Wat is een naamwoordelijk gezegde? en Er is maar één koppelwerkwoord. Daar leg ik uit dat het naamwoordelijk gezegde altijd met "zijn" te maken heeft, met wat je bent of wat er is."
"Aha"
"Niet wat er gebeurt of wat iemand doet."
"Jaja"
"Je bent niet overtuigd"
"Nee, niet echt"
"Maar waarom dan niet?"
"Nou, als dat zo makkelijk is, waarom hebben mensen er dan zoveel moeite mee? Je wilt toch niet beweren dat al het onderwijs op dat gebied slecht is?"
"Ehhh…"
"Ja nou sta jij ineens met de mond vol tanden!"
"Ik wil anders niet beweren dat het aan het onderwijs ligt. Maar toch is het onderscheid werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in beginsel heel eenvoudig"
"Ja nou zeg je ineens in beginsel"
"Ja. Er zijn best lastige gevallen."
"O? Noem er eens een"
"Bijvoorbeeld het verschil tussen Ik ben in de war en Ik ben in de tuin."
"Is dat iets anders dan?"
"Jazeker!"
"Leg eens uit"
"Ik ben in de war is naamwoordelijk gezegde en Ik ben in de tuin is werkwoordelijk."
"Wat is dat nou weer voor een kunstmatig onderscheid! Geen wonder dat mensen dit niet serieus kunnen nemen."
"Het is toch echt fundamenteel anders"
"Ja kom zeg, dit is nou echt een schoolvoorbeeld van een door taalkundigen verzonnen onderscheid. Die lui weten echt niet hoe de gewone taalgebruiker denkt."
"De gewone taalgebruiker, dat ben jij bijvoorbeeld?"
"Ja bijvoorbeeld"
"Dus voor jou is er geen wezenlijk verschil tussen Ik ben in de tuin en Ik ben in de war."
"Nou ja ik ben niet achterlijk natuurlijk. Ik ben in de tuin is letterlijk en Ik ben in de war is figuurlijk, dat zie ik ook wel. Maar die zinnen zitten hetzelfde in elkaar. Ik zie echt geen reden om het een werkwoordelijk en het ander naamwoordelijk te noemen."
"Jaja. Dus die gezegdes zijn volgens jou hetzelfde."
"Precies. Van mij mag je ze allebei naamwoordelijk noemen. Het is toch allebei "zijn"? Je zegt het zelf dat dat dan naamwoordelijk moet zijn? Nou dan!"
"Okee. Maar als jij een zin nou begint met In de war, hoe ga jij dan bij voorkeur verder? Met …daar ben ik liever niet, of …dat ben ik liever niet?"
"Nou ja, dat laatste natuurlijk!"
"En als je begint met In de tuin?"
"Ehh…"
"Ook In de tuin, dat ben ik liever niet?"
"Eh, nee, dan zou ik toch daar gebruiken."
"Dus voor jou zijn die zinnen toch verschillend?"
"Ja inderdaad"
"En dat heeft niets met letterlijk of figuurlijk te maken?"
"Eh, nee, niet dat ik zo kan zien"
"En dan nog eens wat: moet je grammaticalessen hebben gehad om dit aan te voelen?"
"Nee, dat dacht ik niet. Ik denk dat iedereen hetzelfde taalgevoel heeft in dit geval"
"Kijk, maar dan is er dus toch wel een reden om een verschil te maken tussen die twee zinnen."
"Ja, daar heb je wel gelijk in. Maar hoe zit dat dan?"
"Nou, in de tuin zijn is blijkbaar iets wat je "doet", dus dat is werkwoordelijk. Aan de andere kant, in de war zijn is niet iets wat je doet. In de war is iets wat je bent."
"Jaja"
"Als je aanneemt dat de taal een basisonderscheid tussen doenzinnen en zijnzinnen maakt, dan is duidelijk dat deze twee in verschillende klassen vallen."
"Hmhm"
"En dat is niet door taalkundigen verzonnen of zo, blijkbaar werkt het gewoon zo. De taalkundige ontleding maakt je alleen maar bewust van het verschil"
"Nounou"
"Oppervlakkig gezien lijken die twee zinnen op elkaar omdat ze allebei zijn bevatten"
"Maar zijn er dan twee werkwoorden zijn in het Nederlands?"
"Dat is één manier om ertegenaan te kijken. zijn met een plaatsbepaling betekent iets als "zich bevinden". in veel talen heb je daar ook echt een ander werkwoord."
"Jaja. Goh. Ja. Leuk voorbeeld!"

[Read more →]

Gekke koppelwerkwoorden

07/03/2006 by taalprof · 6 Comments · Gezegde, Koppelwerkwoord, Naamwoordelijk

Sommige woorden zijn wel heel uitzonderlijk als koppelwerkwoord. Wie mijn uitleg gelezen heeft (en begrepen), zal echter onmiddellijk inzien dat de volgende gevallen wel degelijk als koppelwerkwoord beschouwd moeten worden:

  • komen, maar alleen in vrij, gereed, klaar, af, goed komen. In al deze gevallen kun je zeggen: als iets goed komt, dan is het daarna ook goed. komen kun je hier dus zien als een vervanging van worden of raken.
  • lopen, maar alleen in verbindingen als leeg lopen, waar het resultaat weer is dat iets leeg is. Merk op dat er een verschil is met bijvoorbeeld goed lopen. Wat goed loopt, is daardoor niet goed, het loopt alleen goed. In deze verbinding is lopen dus geen koppelwerkwoord.
  • staan, in bekend staan (eigenlijk hetzelfde als zijn).
  • vallen, in dat valt me zwaar (ook een soort zijn)
    zitten, in ergens verlegen mee zitten.

Al deze voorbeelden staan in de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Maar er zijn er veel meer. Bij sommige uitdrukkingen met voorzetsels zie je ook vaak "gekke" koppelwerkwoorden. Wat denk je bijvoorbeeld van:
goed in elkaar zitten (of steken)
in tweestrijd verkeren (of staan)
aan het schreeuwen slaan
op hol slaan
Sommige zijn misschien heel uitzonderlijk, maar in alle gevallen lijkt er wel degelijk een soort zijn- of worden-betekenis uitgedrukt door het werkwoord.

[Read more →]

Er bestaat maar één koppelwerkwoord

14/02/2006 by taalprof · 10 Comments · Gezegde, Koppelwerkwoord, Naamwoordelijk

"Een naamwoordelijk gezegde is altijd voorzien van een koppelwerkwoord. Er zijn er negen, die je allemaal uit je hoofd moet kennen." Dit is zo ongeveer de "uitleg" die er in de meeste grammaticaboekjes staat. En eigenlijk is het onzin.

Ik zal niet zeggen dat je beter niets van buiten kunt leren. Ons hoofd zit vol met nutteloze kennis, daar kan zo’n rijtje koppelwerkwoorden best bij. Maar als je een werkwoord alleen maar een koppelwerkwoord noemt omdat het in een rijtje staat mis je een belangrijk feit uit de grammatica. En je snapt niet waarom een koppelwerkwoord een koppelwerkwoord is.

In een zin met een naamwoordelijk gezegde wordt uitgedrukt dat iets het geval is. Dit in tegenstelling tot een zin met een werkwoordelijk gezegde, waar iets gebeurt of iemand iets doet. Waar werkwoordelijke gezegdes in feite een vorm van doen zijn, zijn naamwoordelijke gezegdes een vorm van zijn.
Hieruit volgt dat het werkwoord in een naamwoordelijk gezegde eigenlijk altijd zijn is.

Wat moet dat dan met al die andere koppelwerkwoorden? Het antwoord is: alle koppelwerkwoorden zijn eigenlijk varianten op het woord zijn.
Neem worden en blijven. Naast Het is droog kun je zeggen Het wordt droog en Het blijft droog. Gebruik je worden, dan geef je aan dat de droogte begint, met blijven druk je uit dat de periode van droogte gedurende langere tijd aanhoudt.

In feite zijn dat twee kanten van dezelfde medaille. Want als het droog wordt blijft het niet nat, en als het droog blijft wordt het niet nat (waarbij nat eigenlijk betekent: "niet droog").

Waarom kunnen juist deze twee betekenissen aan zijn worden toegevoegd? Ze hebben allebei te maken met de overgang van de ene toestand in de andere. Het werkwoord worden zegt iets over de overgang tussen niet en wel (niet-droog naar droog), en blijven zoomt in op de overgang tussen wel en niet (droog naar niet-droog). Droog worden zegt dat de overgang tussen niet-droog en droog eraan komt, en droog blijven zegt dat de overgang tussen droog en niet-droog juist niet aanstaande is. Het is een wonderlijke samenhang, maar hij zit precies zo in de taal opgesloten.

Als je dit snapt, begrijp je ook dat er meerdere werkwoorden als koppelwerkwoord kunnen dienen. Zo heb je ook raken dat heel goed in plaats van worden kan worden gebruikt. En eigenlijk is gaan in de uitdrukking dood gaan ook een koppelwerkwoord!

Maar hoe zit het dan met die andere zes? Nou ja, eigenlijk zijn dat helemaal geen koppelwerkwoorden. Het zijn modale hulpwerkwoorden. Neem lijken, blijken, schijnen. Die kun je bij andere werkwoorden toevoegen om een modaliteit uit te drukken. Je geeft ermee aan hoe jouw inschatting (of die van iemand anders) is ten aanzien van de gebeurtenis of toestand.

Zeg je bijvoorbeeld Het lijkt te regenen, dan betekent dat, dat het volgens jouw inschatting (of die van anderen) regent, maar dat het waarschijnlijk toch niet zo is. Bij blijken was het ieders inschatting dat het niet regende, maar het regent toch, en met schijnen druk je uit dat het niet jouw inschatting is maar voornamelijk die van anderen.

Gebruik je lijken, blijken, schijnen bij het koppelwerkwoord zijn, dan blijft zijn meestal weg: in plaats van Het lijkt droog te zijn zeg je meestal Het lijkt droog. Wil je volhouden dat een naamwoordelijk gezegde altijd een koppelwerkwoord heeft, dan moet je aannemen dat het hulpwerkwoord lijkt nu die functie heeft overgenomen.

En heten, dunken en voorkomen? Waarom zijn dat koppelwerkwoorden? Wel, allereerst komen die haast nooit meer voor. Tenminste niet als koppelwerkwoord. Dat zijn ze namelijk alleen in hun modale gebruik (hij heet geschikt (te zijn), hij dunkt mij geschikt (te zijn), en hij komt mij geschikt voor). In al deze gevallen geldt dezelfde uitleg als voor lijken, blijken, schijnen. Het zijn eigenlijk modale hulpwerkwoorden. Als je het koppelwerkwoord zijn weglaat, neemt het hulpwerkwoord die functie over. Althans, zo hoor je het te benoemen. Waarom? Omdat je daarmee laat zien dat je begrepen hebt dat de hele zin naamwoordelijk is.

Er bestaat dus eigenlijk maar één koppelwerkwoord: zijn. Alle werkwoorden die een of andere vorm van zijn uitdrukken ("zijn" plus een of ander betekenisaspect), zou je om die reden als koppelwerkwoord moeten benoemen. Dat er daarvan zes (worden, raken, blijven, lijken, blijken, schijnen) gebruikelijk zijn, zou je best van buiten kunnen leren. Maar het hoeft niet.

[Read more →]

Grappige gezegdes

09/02/2006 by taalprof · No Comments · Gezegde, Naamwoordelijk

Wie mijn uitleg over naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde gelezen heeft, vraagt zich misschien af: Zijn er dan geen uitzonderingen? Want iedere regel kent toch uitzonderingen? Nee. Die zijn er niet. Er zijn wel zinnen die altijd voor problemen zorgen, maar daar zijn dan vaak twee lezingen mogelijk.

Een gek geval vormen zijn-zinnen met een plaatsbepaling. Vergelijk Ik ben in de tuin met Ik ben in de war. In de tuin zijn is iets wat je doet (dus werkwoordelijk), maar in de war zijn is niet iets wat je doet. In de war ben je. Je zegt In de war, dat ben ik, maar niet In de tuin, dat ben ik (liever: In de tuin, daar ben ik, en zeker niet In de war, daar ben ik).

De taal (als het goed is: je taalgevoel) rangschikt zijn-zinnen met een plaatsbepaling dus eigenlijk onder de doen-zinnen. Waarom? Omdat zijn daar wel degelijk iets betekent, namelijk "zich bevinden". In aardig zijn betekent dat zijn helemaal niets. In veel talen wordt het dan ook weggelaten.

Soms zijn er twee manieren om ergens tegen aan te kijken. Je zegt Het mist, en dat doet het al de hele dag, maar Het is mistig en dat is het al de hele dag. Blijkbaar kun je het weer werkwoordelijk beschrijven én naamwoordelijk. Waarom is dat nou weer? Nou ja, blijkbaar omdat de taalgebruikers in het verleden die vrijheid wilden hebben. Misschien omdat de weerverschijnselen (donder, bliksem) gezien werden als daden van de hogere machten, weet ik veel. Belangrijker is dat de taal dat onderscheid bewaard heeft.

[Read more →]

Wat is een naamwoordelijk gezegde?

09/02/2006 by taalprof · 9 Comments · Gezegde, Naamwoordelijk

Het is verbazend hoeveel mensen willen weten wat een naamwoordelijk gezegde is. Misschien allemaal om de verkeerde reden (bijvoorbeeld in het kader van een schoolvak of een cursus zinsontleding), maar opmerkelijk blijft het. Want wat heb je eraan als je het weet? Toch is het best een interessante kwestie, die raakt aan een centrale eigenschap van alle menselijke talen.

Als je iets zegt, een zin maakt, dan kan die over twee dingen gaan: iets wat er gebeurt (bijvoorbeeld als iemand iets doet), of iets wat het geval is. De Nederlandse taal heeft hier precies twee woorden voor: doen en zijn. Er zijn natuurlijk veel meer woorden om een gebeurtenis of een daad uit te drukken, maar je kunt ze altijd omschrijven met doen of zijn.

Waarom doet de taal dit? Geen idee, maar alle talen doen zoiets. Blijkbaar is het belangrijk als je over de wereld praat om die twee zaken anders te zeggen. Een boek lezen, dat doe je, en aardig, of een goeie gozer dat ben je. Je voelt het bij iedere zin zelf aan, als je hem aanvult: jij bent aardig, en je bent dat al jaren. Niet …en je doet dat al jaren.

Ook zinnen waarbij op het eerste gezicht niemand iets doet, worden door de taal gerangschikt in één van die twee soorten. De bom ontploft en hij doet dat onverwacht. Het regent en dat doet het al de hele dag. Allemaal doen-zinnen.

Doen-zinnen zijn werkwoordelijk, zijn-zinnen zijn naamwoordelijk. Waarom? Omdat bij doen-zinnen het werkwoord het centrale woord is (lezen, regenen, ontploffen), terwijl bij zijn-zinnen het naamwoord belangrijker is. Bij aardig zijn of een goeie gozer zijn is niet zijn belangrijk, maar aardig of gozer.
(Kijk ook eens hier, voor nog meer uitleg over het naamwoordelijk gezegde!)

[Read more →]