Het Beste van De Taalprof

Je Hulp bij Grammaticale Nood

Entries Tagged as 'Voorwerp'

Wat schetst mijn verbazing? Weer een reactie!

22/02/2009 by taalprof · 9 Comments · Lijdend, Onderwerp, Voorwerp



Gisteren reageerde een lezer met de opmerking dat hij steeds vaker hoorde Wat schetst mijn verbazing?  in plaats van Wie schetst mijn verbazing? Daaroverheen kwam nog een andere lezer die dat "ongeletterd" noemde, maar ondertussen is het wel een interessante kwestie, die met een beetje ontleden beter begrepen kan worden.

Het is om te beginnen al een verdachte kwestie: de "foute" vorm (wat schetst) komt op het internet al drie keer zo vaak voor als de "goede" (wie schetst). Dat betekent dat we nu al bijna in het stadium zitten van het "iedereen zegt dit maar eigenlijk is het dat." De taalprof is een beetje allergisch voor dat woordje eigenlijk. Dat lijkt hem een beetje te veel op strikt genomen.

Lees meer/
minder/
printversie

Het is snel uitgemaakt dat Wie schetst mijn verbazing? de oudste papieren heeft. Oorspronkelijk gaat het hier om een retorische vraag, die moet aangeven dat je verbazing zo groot is dat niemand hem zou kunnen beschrijven.

Die retorische vraag werd vaak gebruikt in een verhaal, waarin hij werd gevolgd door een bijzin met toen. Bijvoorbeeld bij Conrad Busken Huet, in de 19e eeuw: Wie schetst mijne verbazing, toen mij gezegd werd dat zij sedert twaalf uur in eene brandende koorts lag. De formule Wie schetst werd trouwens voor meerdere emoties gebruikt (verwondering, vreugde).

Het eigenaardige van dit gebruik is het contrast tussen de tegenwoordige en de verleden tijd: de vertelling staat meestal in de verleden tijd, en de formule in de tegenwoordige tijd. De retorische vraag speelt immers tussen spreker/schrijver en luisteraar/lezer.

Later zie je ook het gebruik van de formule in een verhaal in de tegenwoordige tijd. Dan wordt de bijzin ingeleid met het voegwoord als: Wie schetst echter mijn verbazing als ik in het rijtje van de zorgenkinderen ook aantref: de achterstelling van de vrouw? (Joke Kool-Smit in 1970).

En ten slotte krijg je de ontwikkeling dat de formule Wie schetst mijn verbazing gevolgd wordt door een dubbele punt met een situatieschets: Maar wie schetst mijn verbazing: in het nieuwe nummer staan drie boze ingezonden stukken, eveneens afkomstig van  Duitsers. (Wim Raven, in Tirade 1998).

Dit vindt iedereen blijkbaar nog prima, als er maar wie schetst staat. Maar ondertussen is er wel iets veranderd. Het begint al bij het gebruik van een als-zin. Een als-zin kan (net als een dat-zin) worden opgevat als een voorwerpszin. Bijvoorbeeld in Ik zou het toejuichen als het ging regenen. De bijzin heet dan een (voorwaardelijke of conditionele) voorwerpszin (in dit geval  lijdend voorwerp).

Die lezing is bijna noodzakelijk in de formule waarin de situatieschets niet meer in de vorm van een bijzin staat. Wie schetst mijn verbazing: het begon te regenen. Je moet hier de functie van het gedeelte achter de dubbele punt wel opvatten als het voorwerp van je verbazing.

Daar komt bij dat er verschillende andere retorische formules zijn om je verbazing uit te drukken, allemaal met een dubbele punt en een situatieschets in hoofdzinsvolgorde erachteraan: Wat zie ik daar? Wat ziet mijn oog? Wat hoor ik? Wat tref ik daar aan? In al die formules wordt de vraag (wat?) beantwoord door de schets die op de formule volgt.

Het lijkt erop dat de oorspronkelijke formule Wie schetst mijn verbazing? terecht is gekomen in een gebruikswijze waarin hij onlogisch geworden is. Die gekke tegenwoordige tijd was al een breuk met de verhaaltijd, maar met dat voorwerpachtige stuk erachter ontstaat de ongemakkelijke situatie dat je een voorwerp krijgt achter een zin waarin het voorwerp al ingevuld is (dat is namelijk mijn verbazing).

Ongetwijfeld naar analogie van andere formules redt de hedendaagse taalgebruiker zich hieruit door de constructie te herinterpreteren met mijn verbazing als onderwerp en dat wat achter de formule staat als een voorwerp, dat een antwoord vormt op het bevraagde lijdend voorwerp wat.

Ik denk dus, zoals ik in het antwoord aan de lezer al aangaf, dat in de formule Wat schetst mijn verbazing het woordje wat als lijdend voorwerp bedoeld is, en mijn verbazing als onderwerp. Mijn verbazing schetst iets (roept een beeld op), en wat dat is wordt beantwoord door wat erop volgt. Dat dit fysiek onlogisch is (je verbazing is eerder het gevolg dan de oorzaak van je waarneming) vindt de taalgebruiker blijkbaar minder erg dan een grammaticaal gewrongen constructie.

Dit wijkt af van de analyse die de taaladviseurs van Onze Taal geven: zij denken dat Wat als het onderwerp gezien moet worden en mijn verbazing als lijdend voorwerp. Hoewel je dat moeilijk kunt weerleggen, denk ik dat de boven geschetste ontwikkeling het aannemelijk maakt dat ze het mis hebben.

Lees minder

[Read more →]

Werkwoorden die voorwerpen hebben

21/02/2009 by taalprof · 12 Comments · Voorwerp, Werkwoord


Ik kende de voorbeeldzin uit de taalkundige literatuur al langer, maar vanmorgen kwam ik hem zomaar in het wild tegen, in de gewone literatuur: Mannen die vrouwen haten, een thriller van de Zweedse auteur Stieg Larsson.

Nou zal de taalprof dat boek niet gaan lezen, want over het algemeen stelt hij meer prijs op goede betrekkingen tussen de geslachten dan op wrevel en onmin, zeker als daar ook nog dooien bij vallen. Maar die titel is interessant.

Wat is daarmee aan de hand dan, met die titel Mannen die vrouwen haten?

Lees meer/
minder/
printversie

Er zit een interessant dubbelzinnigheidje in de woordgroep Mannen die vrouwen haten. Gaat het om vrouwenhaters of om mannen die niet populair zijn bij de vrouwen? Dat betekenisverschil hangt mooi samen met een ontleedverschil. De vraag is namelijk of die het onderwerp van de bijzin is (en vrouwen lijdend voorwerp) of het lijdend voorwerp (en vrouwen het onderwerp). Voor wie dat niet ziet: vervang vrouwen door een persoonlijk voornaamwoord hen of zij: Mannen die hen haten of Mannen die zij haten.

Nou is dit op zich ook weer niet zo heel bijzonder. Het wordt pas echt leuk als je probeert het verschil te hóren: in de betekenis waarin die het onderwerp is (en vrouwen het lijdend voorwerp) kun je de klemtoon op haten weglaten, zodat er in de bijzin alleen maar klemtoon op vrouwen ligt: Mannen die VROUWEN haten. In de andere lezing (waarin vrouwen het onderwerp is) kan dat niet. Daar krijg je: Mannen die VROUWEN HATEN. Eigenaardig, niet? Wat is daar aan de hand?

Dit verschijnsel ondersteunt de gedachte dat het werkwoord en het lijdend voorwerp meer bij elkaar horen dan het werkwoord en het onderwerp. Het werkwoord heeft een nauwere band met het lijdend voorwerp. Die band is zo nauw dat het werkwoord desnoods zijn klemtoon opgeeft voor die van het lijdend voorwerp. Ze kunnen samen één klemtoon dragen. Voor het onderwerp zal het werkwoord die klemtoon niet opgeven.

Als het lijdend voorwerp een persoonlijk voornaamwoord is (Mannen die hen haten), verdwijnt dit effect weer. Dat komt omdat het persoonlijk voornaamwoord eigenlijk liever geen klemtoon draagt. Het kan wel, maar een gezamenlijke klemtoon komt dan toch eerder op het werkwoord terecht.

Het is een subtiel effect, maar in deze voorbeelden is het treffend, en vrij goed aan te voelen. Het toont aan dat wij onbewust heel zorgvuldige ontleders zijn, die precies weten hoe het zit met dat onderwerp en dat lijdend voorwerp.

Overigens bestaat die dubbelzinnigheid niet in het Zweedse origineel. De Zweedse titel luidt Män som hatar kvinnor. Nou spreek ik geen Zweeds, maar als taalkundige kan ik hier een redelijke gok doen naar de vertaling: Män zal wel het meervoud zijn van man (umlaut), en ik neem aan dat som het betrekkelijk voornaamwoord is (lijkt op het Engelse onbepaalde voornaamwoord some, en op ons sommige). Hatar is ongetwijfeld het werkwoord, en kvinnor lijkt wel erg veel op het Engelse queen. Even opzoeken: ja hoor, ze gaan beiden terug op een (gereconstrueerd) Indo-Europees woord gwen, dat "vrouw" betekent. In het Zweeds staat vrouwen dus achter het werkwoord, wat zal inhouden dat het alleen als lijdend voorwerp gelezen kan worden. Vrouwenhaters dus.

Lees minder

[Read more →]

Vernielen maar niet verslechteren

24/12/2008 by taalprof · 11 Comments · Lijdend, Onderwerp, Voorwerp, Werkwoord


Het moet een week of twee geleden zijn, dat het televisiejournaal berichtte over rellen in Griekenland. Er werd iets in het Grieks gezegd, en de ondertiteling luidde: Er vernielden dingen. Interessante vergissing!

Lees meer/
minder/
printversie

Er had natuurlijk moeten staan: Er werden dingen vernield, of Dingen werden vernield. Maar waarom maakte de ondertitelaar deze vergissing? Is dat soms een gekkigheidje in het Grieks, dat wij in het Nederlands niet kennen? Dat valt nogal mee.

In het Nederlands heb je behoorlijk wat werkwoorden die in twee varianten voorkomen. Het bekendste voorbeeld is breken, dat je kunt krijgen in de zin Hij brak het stokbrood, en Het stokbrood brak. Die tweede variant lijkt wel een soort lijdende vorm zonder hulpwerkwoord (en zonder voltooid deelwoord). Het lijdend voorwerp uit de eerste zin is onderwerp in de tweede zin.

Een dergelijke constructie wordt door taalkundigen ook wel ergatief genoemd (niet te verwarren met de ergatiefnaamval), alhoewel sommigen ook van anticausatief spreken (omdat de oorzaak in de tweede zin weggelaten is).

Die twee varianten heb je niet met alle werkwoorden in het Nederlands. Zo doet eten het niet (wel Hij at het stokbrood maar niet Het stokbrood at, eventueel weer wel met een extra bijvoeglijk naamwoord: het stokbrood at best wel moeilijk). De werkwoorden die het wel doen, en zonder extra toevoegingen, vallen allemaal in een brede betekenisklasse van veranderingswerkwoorden: verandering van kleur bijvoorbeeld (Ik kleur de muur, de muur kleurt), verandering van aggregatietoestand (De zon smelt het ijs, het ijs smelt), verandering van plaats (Ik beweeg mijn hand, mijn hand beweegt), vaak van voertuigen (ik rijd de auto, de auto rijdt), en veranderingswoorden als veramerikaniseren, vervlaamsen, etc. Ik heb een verzameling van zo’n 70 voorbeelden, die ik binnenkort hier zal plaatsen.

Het aardige is dat vernielen wel een veranderingswerkwoord is, maar niet die twee patronen kent: wel ik verniel dingen, maar niet dingen vernielen. Dat lijkt toeval. Als vernielen het wel had gedaan, had niemand daar van op hoeven kijken. Misschien is het corresponderende woord in het Grieks toevallig wel zo’n ergatief (anticausatief) werkwoord.

Er zijn meer werkwoorden die toevallig niet in deze klasse vallen, maar wel vaak in de andere variant optreden. Zo heb je uitbreiden, dat standaard is in Het land breidt zijn territorium uit, maar (nog) niet in Het territorium breidt uit. En omgekeerd is passen standaard in Die trui past mij, maar (nog) niet in Ik pas die trui (in de betekenis "die trui past mij").

Lees minder

[Read more →]

Ons bent uitgenodigd

18/11/2008 by taalprof · 11 Comments · Lijdend, Lijdende vorm, Meewerkend, Onderwerp, Voorwerp


De taalprof deed mee aan een lezerenquête op de website van de NRC. De laatste vraag was of hij interesse had in deelname aan een lezerspanel. Wat houdt dat in, dacht hij. Welnu: Deelnemers aan het lezerspanel wordt maximaal drie keer per jaar uitgenodigd voor onderzoek.

Is dit niet gewoon een ongelukkig foutje? De schrijver is vergeten dat de kern van het onderwerp (deelnemers) meervoud is, en schrijft per ongeluk wordt, omdat lezerspanel in de buurt staat? Zou kunnen. Maar misschien is het erger.

Lees meer/
minder/
printversie

Ik denk dat het werkwoord uitnodigen hier ook een rol speelt. Bij iemand uitnodigen denk je al gauw aan een uitnodiging aan iemand, en de betekenis is een vorm van communicatie met iemand. Dat past allemaal bij een meewerkend voorwerp.

Bovendien heb je de beruchte gevallen van iemand iets verzoeken en iemand iets vragen, die ook op deze site al diverse keren besproken zijn: in beide constructies beschouwen mensen vaak iemand als lijdend voorwerp en worden ze op de vingers getikt door taalcritici die beweren dat het meewerkend voorwerp is. Ten onrechte, vindt de taalprof, maar dat is hier even niet de discussie. Het punt is dat de schrijver van de NRC lezersenquête heel waarschijnlijk uitnodigen associeert met deze gevallen.

Nou is iemand in iemand uitnodigen zonder twijfel lijdend voorwerp. Om te beginnen is het wij worden uitgenodigd en niet ons wordt uitgenodigd, dat voelt iedere spreker van het Nederlands haarscherp aan. Verder is het ook het uitnodigen van iemand en niet het uitnodigen aan iemand. En dan kan er ook nog eens een voorzetselvoorwerp bij, iemand uitnodigen tot iets, eventueel als beknopte bijzin iemand uitnodigen om iets te doen. Dus daar is geen discussie over.

Het lijkt erop dat de schrijver desondanks uitnodigen associeert met vragen en verzoeken, en denkt: daar was toch iets mee in de lijdende vorm? Wat je denkt dat het onderwerp is, is eigenlijk meewerkend voorwerp. Dus als dat meervoudig is krijg je toch een enkelvoudig werkwoord. Zoiets. Klinkt nergens naar, maar laat ik dat voor de zekerheid maar zo opschrijven. Voordat er weer zo’n grammaticale scherpslijper me op de vingers tikt.

Ik denk dat het dat is. Ik kan me vergissen, maar het zou me niets verbazen. Treurig is het.

Wacht even, laat ik dat verduidelijken. Treurig is niet dat er foutjes gemaakt worden. Treurig is dat mensen tegen hun taalgevoel in allerlei grammaticaregeltjes menen te moeten toepassen, omdat ze bang zijn anders op de vingers getikt te worden. Ook nog eens door mensen die daar ongelijk in hebben. Wat zeg ik, treurig? Triest, dat is het.

Lees minder

[Read more →]

Goede raad kost duur

06/11/2008 by taalprof · 6 Comments · Bepaling, Bijwoordelijk, Gezegde, Koppelwerkwoord, Lijdend, Naamwoordelijk, Voorwerp



Naar aanleiding van een lezersvraag gisteren herinnerde de taalprof zich een oudere discussie (zie punt 4 in de link, en de voorgaande discussie), over de zin Hoeveel kost die auto? Die discussie zat een beetje verborgen in de vragenrubriek van deze site, maar hij is eigenlijk best een aparte bespreking waard.

Daarom nu: Hoeveel kost die auto? en wat is dan Hoeveel?

Lees meer/
minder/
printversie

In de zin Hoeveel kost die auto? is kost de persoonsvorm en die auto is onderwerp, zoveel is duidelijk. Maar dan blijft er nog een zinsdeel over. Voor dat zinsdeel komen redelijkerwijs drie ontledingen in aanmerking.

Het meest voor de hand ligt om te denken dat hoeveel het lijdend voorwerp bij kosten is. Dat sluit aan bij je taalgevoel dat hoeveel sterk verbonden is met het werkwoord en nauwelijks weggelaten kan worden. Een probleem is wel dat geen van de bekende eigenschappen van een lijdend voorwerp toepasbaar zijn: zo heb je hier geen lijdende vorm (Hoeveel wordt door die auto gekost? is geen goede zin), en bij de zogeheten "nominalisatie" van het werkwoord verschijnt het zinsdeel niet met het voorzetsel van (het is niet Het kosten van zoveel).

Een andere gedachte zou kunnen zijn om hoeveel te beschouwen als een bijwoordelijke bepaling. Dat zou je kunnen denken op grond van de betekenis: je zou het kunnen zien als een bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid. Daarvan is weer het probleem dat die bepaling niet echt weglaatbaar is. Bijwoordelijke bepalingen zijn doorgaans zinsdelen die vrij toegevoegd of weggelaten kunnen worden.

En ten slotte zou je kunnen overwegen om hoeveel een naamwoordelijk deel van het gezegde te noemen. Dat lijkt misschien een beetje vreemd, maar in spreektaal is vervanging van kosten door zijn niet ongebruikelijk: hoeveel is die auto? Die variant zou je vrijwel zeker als naamwoordelijk moeten ontleden (of je zou zijn moeten beschouwen als een zelfstandig werkwoord met de betekenis "kosten," wat op zijn best lood om oud ijzer is).

De enige grammatica die bij mijn weten deze constructie heel expliciet aan de orde stelt is de Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een volledig overzicht, van W.G. Klooster. En wat kiest Klooster? Ehh, nou ja, niks eigenlijk.

Klooster introduceert een aparte term voor dit geval. Hij noemt hoeveel in hoeveel kost die auto? een "pseudo-voorwerp." Daarmee geeft hij aan dat het zinsdeel iets heeft van een voorwerp, erop lijkt, maar het aan de andere kant ook weer niet is. Tegelijkertijd noemt hij werkwoorden als kosten, meten en tellen "semi-koppelwerkwoorden," aldus erkennend dat die werkwoorden iets hebben van koppelwerkwoorden, maar het aan de andere kant ook weer niet helemaal zijn. Verder omschrijft Klooster het zojuist tot pseudovoorwerp gedoopte zinsdeel ook nog eens als "specificerend complement," waarmee het aantal voor dit geval geïntroduceerde termen op drie uitkomt. Ten slotte vermeldt hij nog dat "in sommige grammatica’s" het zinsdeel als bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid geanalyseerd wordt.

Kloosters analyse is een schoolvoorbeeld van een zorgvuldige, taalwetenschappelijk verantwoorde beschrijving, die recht probeert te doen aan alle aspecten van de constructie. De unieke eigenschappen onderscheiden de constructie van alle andere, dus een aparte term is noodzakelijk.

De taalprof vraagt zich af of met de introductie van drie nieuwe termen de oude niet te gemakkelijk terzijde zijn geschoven. Inderdaad, er zijn goede argumenten om het zinsdeel geen lijdend voorwerp te noemen, en ook de bijwoordelijke bepaling is om bovengenoemde redenen een twijfelachtige benoeming. Maar wat is er eigenlijk mis met de analyse als naamwoordelijk gezegde?

Zeker, je kunt aanvoeren dat kosten niet in het rijtje van koppelwerkwoorden staat. Maar daar zijn meer gevallen van bekend. Zo staat raken ook niet in het lijstje (die had er wel in moeten staan), maar ook vallen in de constructie dat valt mij zwaar, gaan in dat gaat kapot, slaan in het bier slaat dood, komen in dat komt wel goed, zitten in hij zit om geld verlegen, en er zijn er meer. Al die werkwoorden hebben een betekenis die ongeveer overeenkomt met de klassieke koppelwerkwoorden zijn of worden, en ze komen in die betekenis voor in combinatie met een zinsdeel dat een predicatie vormt bij het onderwerp.  Ze worden "vervangende koppelwerkwoorden" genoemd. Waarom zou je kosten, meten en tellen ook niet gewoon vervangend koppelwerkwoord noemen? Klooster kiest voor semi-koppelwerkwoord, maar hij zegt er niet bij wat het verschil zou moeten zijn tussen semi-koppelwerkwoord en vervangend koppelwerkwoord.

De analyse van Hoeveel kost die auto? als naamwoordelijk gezegde verklaart waarom er geen lijdende vorm bestaat, waarom bij nominalisatie van het werkwoord geen bepaling met van verschijnt, en waarom het zinsdeel hoeveel niet kan worden weggelaten. Bovendien verantwoordt die ontleding de betekenis die ruwweg overeenkomt met "zijn," én het optreden van de spreektaalvormen Hoeveel is die auto?

En als bonus geeft deze analyse ook nog eens een verklaring voor het optreden van de als fout aangemerkte vorm Deze auto kost duur. Vervang in die zin kosten door zijn en je hebt een prima zin. Blijkbaar beschouwt de taalgebruiker kosten inderdaad als een variant op het koppelwerkwoord zijn. Dat zou de grammatica toch moeten beschrijven, zou je denken.

Lees minder

[Read more →]

Weer bonussen als onderwerp

23/10/2008 by taalprof · 12 Comments · Meewerkend, Onderwerp, Voorwerp



Gisteren schreef ik over de zin Topmanagers die bonussen zijn beloofd, krijgen die niet. Naar aanleiding van een reactie van een lezer merkte ik op dat het radiojournaal deze constructie later had vermeden door de zin in tweeën te splitsen, met als eerste stuk Topmanagers waren bonussen in het vooruitzicht gesteld. Daar voegde ik aan toe, dat ik over die zin ook wel iets leuks had kunnen schrijven.

Nou doe dat dan, zul je zeggen.

Lees meer/
minder/
printversie

Dat kan. Dan zoek ik eerst het precieze voorbeeld op. Dat blijkt een zin te zijn uit een ANP-persbericht, te lezen op diverse nieuwssites: Vandaag werd bekend dat tientallen medewerkers in de subtop van Fortis bonussen in het vooruitzicht zijn gesteld.

Er is iets met deze zin. Grammaticaal is er niets op aan te merken, maar ik denk dat iedere taalgebruiker net een fractie van een seconde op het verkeerde been staat. Huh? Wat staat dáár nou?

Je moet de zin wel ontleden om te zien wat er aan de hand is. Dan zie je dat zijn gesteld weer een werkwoordelijk gezegde in de lijdende vorm is, met in het vooruitzicht als bepaling van gesteldheid. Ongetwijfeld zijn er nu lezers die graag in het vooruitzicht stellen als werkwoordelijke uitdrukking willen zien, maar dat lijkt me niet nodig. In het vooruitzicht stellen is een gewone constructie net als in staat stellen, gerust stellen, enzovoorts, met een volkomen doorzichtige betekenis. Iemand die je ergens toe in staat stelt, die is als gevolg daarvan ergens toe in staat. Iemand die je gerust stelt, die is als gevolg daarvan gerust. Een "resultatieve werkwoordbepaling" heet dat.

Het zinsdeel bonussen is het onderwerp van die combinatie zijn in het vooruitzicht gesteld, want als het om één bonus zou zijn gegaan, dan had de zin geluid: Vandaag werd bekend dat tientallen medewerkers in de subtop van Fortis een bonus in het vooruitzicht is gesteld.

Blijft over tientallen medewerkers in de subtop van Fortis, dat hier de functie van meewerkend voorwerp vervult. De actieve vorm van het gezegde is (aan) iemand iets in het vooruitzicht stellen, met meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp. In de lijdende vorm wordt het lijdend voorwerp onderwerp, en het meewerkend voorwerp blijft meewerkend voorwerp.

Wat is er dan vreemd aan de zin? Ten eerste dat tientallen medewerkers in de subtop van Fortis vooraan staat. Het onderwerp is het meest gebruikelijke zinsdeel op de eerste plaats in een bijzin. Daar komt bij dat tientallen medewerkers in de subtop van Fortis een zinsdeel is dat levende wezens aanduidt, terwijl bonussen niet levend zijn. In verreweg de meeste zinnen is juist het onderwerp levend en andere zinsdelen zijn niet-levend. Een niet-levend onderwerp in combinatie met een levend voorwerp is zeldzaam.

Dat betekent dat de taalgebruiker onwillekeurig in de eerste helft van de zin denkt dat tientallen medewerkers in de subtop van Fortis het onderwerp van de zin zal zijn, en bonussen een voorwerp. Zeker tot aan in het vooruitzicht, maar waarschijnlijk zelfs tot zijn gesteld. Dat had immers ook nog kregen gesteld kunnen zijn, en dan was tientallen medewerkers in de subtop van Fortis wél onderwerp geweest.

De zin doet dus een sterk beroep op het werkgeheugen van de lezer/luisteraar. En die heeft ondertussen waarschijnlijk ook wel wat beters te doen, zeker als het om een radiojournaal gaat.

Lees minder

[Read more →]

Bang om op Cruijff te lijken

22/10/2008 by taalprof · 9 Comments · Lijdende vorm, Meewerkend, Voorwerp


Welke voetballer wil nu niet op Johan Cruijff lijken? Fluwelen balbehandeling, superieur spelinzicht, dat willen we allemaal wel. Maar er zijn ook Cruijffiaanse eigenschappen die juist door veel mensen vermeden worden.

Soms ten onrechte.

Lees meer/
minder/
printversie

Op Radio 1 viel de taalprof vandaag de volgende zin op: Topmanagers die bonussen zijn beloofd, krijgen die niet. Hij dacht in het journaal van 14:30, maar dat is op het internet niet meer te vinden. In de journaals van 14:00 en 15:00 is de zin veranderd.

Wat is er aan de hand met die zin? Dat blijkt als we ons afvragen: wat is de functie van het tweede woordje in deze zin? Dat woordje (die) is een betrekkelijk voornaamwoord, dat is duidelijk. Maar wat voor zinsdeel is het?

Als je de bijzin ontleedt, zie je het. Het gaat om een lijdende vorm (zijn beloofd), met het onderwerp bonussen. De bonussen zijn beloofd, en wel aan de topmanagers. Het woordje die is dus het meewerkend voorwerp.

Hee, maar als een betrekkelijk voornaamwoord meewerkend voorwerp is, had het dan niet beter wie kunnen zijn? Inderdaad: Topmanagers wie bonussen zijn beloofd, krijgen die niet zou in elk geval duidelijker zijn geweest. In dat geval was er geen twijfel mogelijk geweest over de functie van het betrekkelijk voornaamwoord. De vorm die als meewerkend voorwerp kan wel, maar wekt verwarring omdat je aanvankelijk de indruk wekt dat die onderwerp is.

Waarom zou de spreker dan niet de voorkeur hebben gegeven aan wie? Waarschijnlijk omdat die vorm "besmet" is. In regionaal of dialectisch taalgebruik, zoals dat van Johan Cruijff, komt het betrekkelijk voornaamwoord wie vaker voor als onderwerp: de speler wie de bal heeft, bijvoorbeeld.

In het Cruijffiaans valt het voordeel van de vorm wie in onze voorbeeldzin weg. Omdat in die taalvariant wie ook onderwerp kan zijn, blijft de verwarring bestaan als je zegt Topmanagers wie bonussen… Dan kun je dus net zo goed die zeggen.

Het is een interessant verschijnsel als je erover nadenkt. De spreker die wil beginnen met Topmanagers wie bonussen… denkt waarschijnlijk dat hij daarmee in elk geval tot aan het werkwoord beloofd de indruk wekt dat hij wie als onderwerp gebruikt (en daarmee op Cruijff lijkt). Blijkbaar weegt dat zwaarder dan het voordeel van de ondubbelzinnige vorm.

Lees minder

[Read more →]

Zorgen voor een klein beetje discussie

27/05/2008 by taalprof · 3 Comments · Voorwerp, Voorzetselvoorwerp


Het voorzetselvoorwerp blijft de gemoederen bezig houden. Op een discussielijst voor docenten werd de vraag gesteld hoe in de zin Teer en nicotine zijn schadelijk, want ze zorgen voor allerlei kwalen het zinsdeel voor allerlei kwalen genoemd moet worden.

De reagerende docenten waren het (bijna) roerend eens: het is een voorzetselvoorwerp. Heeft de taalprof daar dan nog iets aan toe te voegen?

Lees meer/
minder/
printversie

Ja. Het is dan wel een vrij zeker voorbeeld van een voorzetselvoorwerp, maar het biedt een goede gelegenheid om nog eens na te lopen hoe je dat zo zeker kunt weten.

De meeste reageerders wezen op de "vaste combinatie" van zorgen en voor, en op de "figuurlijke betekenis". Dat zijn echter allebei nogal vage begrippen, waar je in veel gevallen sterk over van mening kunt verschillen. Niet zozeer in dit geval misschien, maar vaak wel. Ze lijken me didactisch niet zo heel erg handig.

Liever zou ik bij zo’n ontleedvraag allereerst vaststellen dat voor allerlei kwalen inderdaad een voorwerp is en geen bepaling. Hoe weet je dat? Dat weet je omdat het werkwoord zorgen een aanvulling vereist (een "complement"). Je kunt het in uitzonderingsgevallen wel zonder aanvulling gebruiken (Ik loop de hele middag al te zorgen), maar net zoals je niet kunt eten zonder dat je iets eet, kun je ook niet zorgen zonder dat je voor iets zorgt, of voor iemand zorgt. Zorgen heeft een voorwerp, en dat voorwerp is in deze zin voor allerlei kwalen.

Een vrij stevige ondersteuning van deze gedachte is de vaststelling dat het voorzetsel voor in deze constructie geen enkele betekenis heeft. Het voorzetsel voor kan betekenen "aan de voorzijde van" of "voorafgaand aan," maar beide betekenissen spelen hier geen enkele rol. Ook kan voor iets betekenen als "ten behoeve van" maar ook daarvan is hier geen sprake. Betekenisloze voorzetsels zijn typisch voor voorwerpen en niet voor bepalingen. Waarom? Bepalingen ontlenen hun rol in de zin ("plaats", "tijd", "reden") aan de betekenis van het voorzetsel. Voorwerpen ontlenen die rol aan de betekenis van het werkwoord. Het voorzetsel draagt daar niets aan bij.

Voor allerlei kwalen is dus een voorwerp bij zorgen. Welk voorwerp is dat dan? Het is een zinsdeel met voorzetsel, dus het kan geen lijdend voorwerp zijn. Het voorzetsel is niet weglaatbaar, ook niet als je het zinsdeel op een andere plaats in de zin zet, dus het is ook geen meewerkend (of belanghebbend) voorwerp. De benoeming "voorzetselvoorwerp" ligt het meest voor de hand: het zinsdeel begint met een niet-weglaatbaar, betekenisloos voorzetsel.

Je zou nog kunnen denken dat er een onderscheid is tussen zorgen voor iets en zorgen voor iemand. De betekenis van zorgen voor iets zou je kunnen omschrijven als "iets bewerkstelligen," waardoor onmiddellijk duidelijk is dat voor daar niets aan bijdraagt. Zorgen voor bestaat ook in de combinatie ervoor zorgen dat…, die ook alleen maar bij een voorzetselvoorwerp voorkomt. Daarmee is aangetoond dat zorgen voor iets in ieder geval een voorzetselvoorwerp bevat.

Bij zorgen voor iemand zou je nog kunnen twijfelen.  Die betekenis ("zorg verlenen aan iemand") heb je niet in de combinatie ervoor zorgen dat… en met een beetje goede wil zou je in de betekenis van voor ook nog een beetje "ten behoeve van" kunnen zien. Is voor iemand dan niet toch een belanghebbend voorwerp?

Ondanks deze mogelijke twijfel zou ik ook zorgen voor iemand een voorzetselvoorwerp noemen. Waarom? Ten eerste omdat voor hier nooit weglaatbaar is, en dat zou het bij een belanghebbend voorwerp eigenlijk wel moeten zijn (Schenk (voor) mij nog maar een biertje in), en je kunt voor hier niet vervangen door een omschrijving van zijn betekenis. Je kunt het niet hebben over ten behoeve van iemand zorgen. Dat is misschien vroeger wel mogelijk geweest, het zou best kunnen dat het uit een belanghebbend voorwerp ontstaan is, maar nu lijkt me de betekenis van voor zodanig afgezwakt, ook in zorgen voor iemand, dat er zonder meer sprake is van een voorzetselvoorwerp.

Lees minder

[Read more →]

Taalprof fronst wenkbrauw

14/04/2008 by taalprof · 5 Comments · Lijdende vorm, Meewerkend, Voorwerp, Voorzetselvoorwerp



Heet van de naald. Vandaag, 14 april, schrijft Ewoud Sanders in zijn rubriek Woordhoek in de NRC: "Na verschijning van de film Fitna werd bewoners van een Rotterdamse volkswijk om hun mening gevraagd."

Interessante zin! De taalprof zou zeggen: hypercorrectie.

Lees meer/
minder/
printversie

Ik formuleer de zin nog eens, maar nu in een vereenvoudigde versie: Bewoners werd om hun mening gevraagd. Dat klinkt een stuk minder, nietwaar? Toch is er in vergelijking met de oorspronkelijke zin alleen een bijwoordelijke bepaling weggelaten (Na verschijning van de film Fitna), en een bijvoeglijke bepaling (van een Rotterdamse volkswijk). En de woordvolgorde is aangepast, omdat je anders een vraagzin zou krijgen (werd bewoners om hun mening gevraagd?).

Nou gaat het mij er niet om de taalcolumnist Sanders op de vingers te tikken, want dat zou erg flauw zijn. Het gaat mij natuurlijk om de constructie iemand om iets vragen. In die constructie is iemand lijdend voorwerp en geen meewerkend voorwerp. Toch zijn veel mensen geneigd om iemand hier als meewerkend voorwerp te benoemen, vanwege de verwarring met aan iemand iets vragen.

Het is allemaal al eens eerder besproken op deze site, maar een voorbeeld in het wild is altijd beter. Hier is het wel erg duidelijk: als je de zin vereenvoudigt, wordt hij duidelijk slechter (Bewoners werd om hun mening gevraagd), en als je er dan ook nog eens aan bij probeert te zetten, wordt het nog een graadje erger: Aan bewoners werd om hun mening gevraagd, dat lijkt me echt voor bijna niemand meer acceptabel.

Ondertussen komt zo’n zin als bewoners werd om hun mening gevraagd natuurlijk wél eens voor. Als je in Google zoekt op "werd om hun mening gevraagd" krijg je 18 vindplaatsen (Google zegt wel dat het er 176 zijn, maar als je doorbladert in de resultaten houdt het bij 18 al op). Er zit zelfs één exemplaar met aan bij: aan alle gezaghebbende spelers werd om hun mening gevraagd.  Zoek je op "werden om hun mening gevraagd," dan vind je er ongeveer evenveel (17).

Dat lijkt wel een probleem. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel die 18 vindplaatsen zijn een vergissing (al dan niet een hypercorrectie vanuit de gedachte dat hier aan iemand iets gevraagd wordt), ofwel er zijn echt mensen die vinden dat je vragen kunt gebruiken met een meewerkend voorwerp (aan iemand) in combinatie met een voorzetselvoorwerp (om iets). Dat zou wel heel bijzonder zijn. Ik ken geen enkel ander voorbeeld van een werkwoord met meewerkend voorwerp en voorzetselvoorwerp. De volgende werkwoorden die volgens de ANS een voorzetselvoorwerp hebben, krijgen daarnaast nog een tweede voorwerp:

iemand (ge)wennen aan iets
iemand herinneren aan iets
iemand houden aan iets
iemand onderwerpen aan iets
iets ontlenen aan iets
iets onttrekken aan iets
iemand prijsgeven aan iets
iets toeschrijven aan iets
iets vastknopen aan iets
iets verbinden aan iets
iets wijden aan iets
iets wijten aan iets
iemand betrekken bij iets
iemand vergelijken bij iets
iemand betrekken in iets
iemand stijven in iets
iemand amuseren met iets
iemand bekronen met iets
iemand belasten met iets
iemand belonen met iets
iemand confronteren met iets
iets gelijkstellen met iets
iemand gelukwensen met iets
iemand opschepen met iets
iemand opzadelen met iets
iemand overladen met iets
iets verbinden met iets
iets verenigen met iets
iemand vergelijken met iemand
iemand verzoenen met iemand
iemand verwijzen naar iets
iemand benijden om iets
iemand bidden om iets
iemand smeken om iets
iemand verzoeken om iets
iemand vragen om iets
iemand aankijken op iets
iemand aanspreken op iets
iets afstemmen op iets
iemand antwoorden op iets
iemand attent maken op iets
iets baseren op iets
iemand betrappen op iets
iets gronden op iets
iets richten op iets
iets steunen op iets
iets verhalen op iemand
iemand verheugen op iets
iets voelen voor iets
iemand voorbereiden op iets
iemand wijzen op iets
iemand wreken op iemand
iemand verheugen over iets
iemand beschermen tegen iets
iemand beveiligen tegen iets
iemand verdedigen tegen iets
iemand waarschuwen tegen iets
iemand wapenen tegen iets
iets wisselen tegen iets
iemand aanmoedigen tot iets
iemand aansporen tot iets
iemand aanvuren tot iets
iemand aanzetten tot iets
iets bestemmen tot iets
iemand bewegen tot iets
iemand brengen tot iets
iemand dwingen tot iets
iemand in staat stellen tot iets
iemand leiden tot iets
iemand noodzaken tot iets
iemand nopen tot iets
iemand opwekken tot iets
iemand overhalen tot iets
iemand overreden tot iets
iemand uitnodigen tot iets
iemand verleiden tot iets
iemand veroordelen tot iets
iemand verplichten tot iets
iets afleiden uit iets
iemand redden uit iets
iets vervaardigen uit iets
iemand afhelpen van iets
iemand afhouden van iets
iemand beroven van iets
iemand beschuldigen van iets
iemand betichten van iets
iemand bevrijden van iets
iemand doordringen van iets
iemand ontdoen van iets
iemand ontheffen van iets
iemand ontslaan van iets
iemand overtuigen van iets
iemand redden van iets
iemand reinigen van iets
iemand scheiden van iets
iemand spreken van iets
iemand terughouden van iets
iemand verdenken van iets
iemand verlossen van iets
iemand verslag doen van iets
iemand vertellen van iets
iemand verwittigen van iets
iemand verzekeren van iets
iemand voorzien van iets
iemand vrijspreken van iets
iemand weerhouden van iets
iemand zuiveren van iets
iemand aanbevelen voor iets
iemand aanzien voor iets
iemand bedanken voor iets
iemand behoeden voor iets
iemand bewaren voor iets
iemand danken voor iets
iemand interesseren voor iets
iets overhebben voor iets
iemand sparen voor iets
iets verbergen voor iemand
iemand waarschuwen voor iets
iemand winnen voor iets

De ANS pretendeert een volledig lijstje van gezegdes met een voorzetselvoorwerp te geven. Ik heb het handmatig nagekeken op de mogelijkheid van een tweede voorwerp. Het zou kunnen dat ik er hier en daar een over het hoofd gezien heb, en op veel plaatsen waar ik kies voor iemand kan ook iets staan (of andersom). Het punt is echter dit: probeer van al die constructies eens een lijdende vorm te maken met het woordje ons als dat extra voorwerp en de persoonsvorm in het enkelvoud. Bijvoorbeeld *Ons wordt gewaarschuwd voor iets, *ons wordt bedankt voor iets, *ons wordt doordrongen van iets, *ons wordt aangespoord tot iets. In vrijwel alle gevallen krijg je een slechte zin.

Voor zover ik zie zijn er maar een handjevol gevallen echt acceptabel: Ons wordt verslag gedaan van iets, en ons wordt verteld van iets. Het bijna synonieme verwittigen vind ik al slecht: *ons wordt verwittigd van iets lijkt me geen goed (Belgisch) Nederlands, ik zou denken dat het moet zijn Wij worden verwittigd van iets.

Ons wordt gebeden om iets, ons wordt gesmeekt om iets en ons wordt gevraagd om iets zijn in mijn taalgevoel alledrie slecht. Hoe dan ook, zelfs al zou je deze drie, én vertellen, én verslag doen accepteren, dan vormen deze 5 gevallen toch een aanzienlijke minderheid in vergelijking met de 116 andere voorbeelden. Het Nederlands kent een duidelijke voorkeur voor een werkwoord met lijdend voorwerp en voorzetselvoorwerp ten opzichte van een werkwoord met meewerkend voorwerp en voorzetselvoorwerp.

Wat moeten we hiermee? De taalprof zal het natuurlijk wel uit zijn hoofd laten om hier de norm te stellen. Als iemand zonodig wil zeggen Ons wordt gebeden om iets, dan moet zo iemand dat zelf weten. Als je zo’n zin moet ontleden, dan moet je ons als meewerkend voorwerp benoemen, dan zit er niets anders op. Echter, in een zin als Jan wordt gebeden om iets, die in principe toelaat om Jan als onderwerp dan wel als meewerkend voorwerp te benoemen, zou de taalprof aanbevelen om Jan als onderwerp te benoemen. 

Lees minder

[Read more →]

Vragen, verzoeken of uitnodigen?

17/10/2007 by taalprof · 55 Comments · Lijdende vorm, Meewerkend, Onderwerp, Voorwerp




Er roert zich weer iets in het kamp van de reizigers-wordt-verzochtaanhangers. Op mijn eigen weblog kondigt een lezer aan dat hij het "behoorlijk oneens is" met de analyse van de taalprof, en op het weer ter ziele lijkende nltaal.blog laait de discussie weer op met iemand die aan komt zetten met de nominalisatieproef uit de Praktische cursus Zinsontleding van Klein en Van den Toorn.

Tijd om de balans op te maken, en alle voors en tegens nog eens netjes bij elkaar te zetten.

Lees meer/
minder/
printversie

Om te beginnen: de discussie gaat over zinnen van het type De reizigers worden verzocht om over te stappen. Dit zou moeten zijn De reizigers wordt verzocht om over te stappen. Mensen die dit vinden, beargumenteren het vanuit de ontleding van de zin. En volgens de taalprof is dat "strikt genomen" een verkeerde ontleding.

Er zijn twee vragen die in deze discussie beantwoord moeten worden:

  1. Op welke ontleding is de zin De reizigers worden verzocht om over te stappen gebaseerd, en is daar iets op aan te merken?
  2. Op welke ontleding is de zin De reizigers wordt verzocht om over te stappen gebaseerd, en is daar iets op aan te merken?

Vooraf moeten we vaststellen dat de ene vraag niets te maken hoeft te hebben met de andere. Als de ene ontleding goed is, hoeft dat niet te betekenen dat de andere ontleding dus fout is. Ze kunnen ook allebei goed zijn.

Motivatie voor het meervoud
De taalprof vindt De reizigers worden verzocht om over te stappen de beste zin. Wat zijn daar voor argumenten voor?

(1) De zin Men wordt verzocht om over te stappen is volgens de taalprof, en de naslagwerken, een prima zin. Als dit zo is, dan moet de ontleding zijn dat men onderwerp is. Men komt namelijk in geen enkele andere functie voor dan onderwerp. Maar als men in die zin onderwerp is, is de reizigers ook onderwerp, dus moet het werkwoord ook in het meervoud staan.
(2) De zin De reizigers worden verzocht om over te stappen is de lijdende vorm van Iemand verzoekt de reizigers om over te stappen. In deze zin is de reizigers lijdend voorwerp. De bekende taalkundige Den Hertog merkte dit al in 1894 op. Hij wees erop dat je verzoeken in deze zin naar analogie van uitnodigen kon lezen. En in Iemand nodigt de reizigers uit om over te stappen is de reizigers zonder enige twijfel lijdend voorwerp.
(3) Dat in de zin Iemand verzoekt de reizigers om over te stappen het zinsdeel de reizigers lijdend voorwerp is, kan ook worden aangetoond met de "nominalisatieproef," die in diverse cursussen wordt aanbevolen. De zin kan namelijk genominaliseerd worden tot Het verzoeken van de reizigers om over te stappen.
(4) Historisch gezien heeft het werkwoord verzoeken altijd een lijdend voorwerp gehad. Het is ontstaan uit iemand verzoeken (waar verzoeken "verleiden" betekende) met een doelbepaling tot iets. In tijden waarin men naamvallen schreef is de vierde naamval bij dit voorwerp altijd gebruikelijk geweest. Blijkens het "hardnekkig" voorkomen van zinnen als De reizigers worden verzocht om over te stappen is dat nog steeds zo. Er is geen moment of periode in de taalontwikkeling aan te wijzen waarin dit lijdend voorwerp verdwenen is.

Zijn er ook argumenten tegen deze ontleding? Ik ken ze niet, en ik heb ze in de vele discussies tot nu toe niet gehoord. Die discussie wordt gedomineerd door argumenten vóór een andere ontleding. Daaruit wordt dan gemakshalve geconcludeerd dat deze ontleding fout is. Dat is natuurlijk geen juiste manier van redeneren.

Motivatie voor het enkelvoud
In tegenstelling tot de taalprof vinden veel taalcritici dat De reizigers wordt verzocht om over te stappen de beste zin is. Volgens hen is in deze zin de reizigers het meewerkend voorwerp, en om over te stappen een onderwerpszin. Ze hebben daarvoor een aantal argumenten, maar op alle argumenten is wel iets aan te merken.

(1) Voorstanders van het enkelvoud stellen dat je de zin kunt veranderen in Aan de reizigers wordt verzocht om over te stappen. Dat lijkt misschien een overtuigend argument, maar de variant met aan komt buiten het onderwijs vrijwel niet voor. Zo weinig dat je je serieus kunt afvragen of hij niet gewoon ongrammaticaal is.
(2) Een tweede argument voor het enkelvoud komt uit de analyse van de actieve zin. Ook hierbij wordt opgemerkt dat De reizigers wordt verzocht om over te stappen een lijdende vorm is van de actieve zin Iemand verzoekt de reizigers om over te stappen, en in deze zin zou de reizigers meewerkend voorwerp zijn. Ook hier weer dezelfde motivatie: je zou er aan bij kunnen zetten: Iemand verzoekt aan de reizigers om over te stappen. Maar hierbij geldt weer hetzelfde bezwaar: dit komt bijna niet voor. Bovendien kun je die beknopte bijzin niet goed nominaliseren: iemand verzoekt aan de reizigers een overstap, of iemand verzoekt aan de reizigers een reactie, dat is allemaal niet goed.
(3) Een derde argument sluit bij het tweede aan, en maakt gebruik van de nominalisatieproef. Nominalisatie zou opleveren: het verzoeken van iets aan iemand. Ook dit lijkt bij oppervlakkige beschouwing best acceptabel. Maar zie eens hoe slecht het wordt als je in plaats van iets en iemand iets concreets probeert in te vullen: het verzoeken van een overstap aan de reizigers. Helemaal fout, zou je zeggen. Met andere woorden: die nominalisatieproef wijst helemaal niet de reizigers als meewerkend voorwerp aan.
(4) Dat de reizigers meewerkend voorwerp zou zijn wordt ook nog beargumenteerd door te wijzen op de betekenisovereenkomst met het werkwoord vragen. Je vraagt iemand iets, je verzoekt iemand iets. Bij vragen is iemand meewerkend voorwerp, bij verzoeken dus ook. Ook dit lijkt aannemelijk, totdat je het werkwoord vragen eens nader gaat bekijken. Vragen bestaat namelijk in twee betekenissen: "informeren" (je vraagt iemand of het regent) en iets als "aansporen" (je vraagt iemand om op tijd te komen). De betekenis "verzoeken" hoort niet bij het eerste vragen, alleen bij het tweede. En alleen het eerste is aan iemand iets vragen, het tweede is van iemand iets vragen, hetgeen op een lijdend voorwerp iemand wijst.
(5) Sommigen proberen ook nog indirect af te leiden dat de reizigers meewerkend voorwerp is. Zij zeggen: in de zin Iemand verzoekt de reizigers iets moet iets lijdend voorwerp zijn. Omdat er geen twee lijdende voorwerpen in een zin kunnen staan, moet de reizigers wel iets anders zijn, en meewerkend voorwerp is de enige aannemelijke mogelijkheid. Er zijn twee problemen met dit argument. De stelling dat er geen twee lijdende voorwerpen in één zin kunnen staan is aanvechtbaar. Maar zelfs als we aannemen dat hij correct is, dan kun je het argument nog omkeren. Dan kun je zeggen: de reizigers is lijdend voorwerp, dus iets moet iets anders zijn. Wat kan iets dan zijn? Nou, bijvoorbeeld zoals Den Hertog al voorstelt: oorzakelijk voorwerp. Dat iets geeft het doel aan waarop het verzoek zich richt. Dit doel kun je invullen met een beknopte bijzin of met een woordgroep met om of tot: iemand verzoekt de lezers om een reactie. Het feit dat de beknopte bijzin vervangbaar is door het voornaamwoord iets is geen reden om deze ontleding te verwerpen. Dat zie je ook bij iemand iets vragen, dat twee dingen kan betekenen: "bij iemand informeren naar iets", of "iemand tot iets aansporen". Die twee betekenissen komen tot uitdrukking in de twee ontledingen.

Conclusie
De ontleding die het meervoud ondersteunt kent alleen maar argumenten vóór en geen argumenten tegen. De ontleding die het enkelvoud ondersteunt kent verschillende argumenten vóór, maar op elk argument valt wel wat af te dingen. Een strikte grammaticus zou daarom de eerste ontleding moeten goedkeuren en de tweede moeten afkeuren.

Nu is de hedendaagse taalkundige een pragmaticus. Wat de taalgebruiker wil, is wet. Als de variant met enkelvoud voorkomt, heeft zij bestaansrecht. Dit geldt ook voor de variant met aan de reizigers. Als taalgebruikers dat, desgevraagd, acceptabel vinden, dan kun je daar als taalkundige in principe niets tegenin brengen. Je kunt wel op basis van je analyse concluderen dat de taalgebruikers "strikt genomen" ten onrechte een bepaalde vorm gebruiken, maar als ze dat echt willen, dan heb je dat te accepteren. En als die variant alleen maar kan worden verantwoord door aan te nemen dat er sprake is van een meewerkend voorwerp, dan moet je dat ook, zij het knarsetandend, voor lief nemen.

Wat betekent dat voor de bovenstaande discussie? Volgens mij zouden we in elk geval moeten concluderen dat er op de variant met meervoud, en de ontleding van de reizigers als lijdend voorwerp in de actieve zin, niets (maar dan ook niets) aan te merken valt. Het enkelvoud, en de ontleding van de reizigers als meewerkend voorwerp is op zijn minst verdacht vanwege het feit dat de cruciale varianten bijna nooit voorkomen. Het zou best kunnen zijn dat die enkele voorkomens het rechtstreekse gevolg zijn van grammatica-onderwijs in plaats van een normale taalverwerving.

Lees minder

[Read more →]